Kennisbank artikel - Samenwerken aan digitalisering in de GWW: netwerken in kaart
Onderwerpen in dit artikel
Rond AI, digitalisering en data bestaan veel netwerken, programma’s en samenwerkingsverbanden. Voor weg- en waterbeheerders is het niet altijd eenvoudig om te bepalen waar relevante kennis wordt ontwikkeld en bij welke samenwerking zij kunnen aansluiten. Tijdens het webinar Samenwerken aan digitalisering in de GWW: netwerken in kaart op 17 april 2026 brengt Roy Boertien, adviseur smart cities bij het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en actief voor het Dutch Metropolitan Innovations (DMI) Ecosysteem, een aantal relevante netwerken in kaart. Binne Meijer, adviseur bodem en ondergrond bij de gemeente Utrecht, laat vervolgens zien hoe de G4-gemeenten samenwerken aan digital twins en 3D-ondergrondmodellen. Marco Scheffers licht voorbeelden uit Amsterdam toe. Deze terugblik vormt de bron voor dit artikel.
Het webinar biedt een eerste overzicht, geen volledige inventarisatie van alle netwerken. Bij de openingspoll geeft circa 13% van de deelnemers aan al bij een netwerk rond AI of digitalisering in de GWW te zijn aangesloten. Het grootste deel oriënteert zich nog. Platform WOW nodigt deelnemers daarom uit om ontbrekende netwerken en hun behoeften onder de aandacht te brengen.
Bekijk de YouTube video van deze bijeenkomst
Inhoudsopgave
- Drie relevante samenwerkingen rond digitalisering
- Datagedreven gebiedsontwikkeling
- Netwerk van Lokale Digitale Tweelingen
- G4 werkt samen aan digital twins van de ondergrond
- Praktijkvoorbeelden uit Rotterdam, Den Haag, Amsterdam en Utrecht
- Vragen en antwoorden
- Datakwaliteit als basis voor verdere digitalisering
Drie relevante samenwerkingen rond digitalisering
Roy Boertien onderscheidt in zijn presentatie over samenwerkingen rond digitalisering drie initiatieven die relevant zijn voor de GWW-sector: het Nationaal Programma Bodem, Ondergrond en Grondwater (BOG), de Samenwerkingsagenda Toekomstbestendige Gebiedsontwikkeling en het Netwerk van Lokale Digitale Tweelingen. Vanuit het DMI Ecosysteem wordt binnen en tussen deze netwerken gewerkt aan het verbinden van data, digitale infrastructuur, rekenmodellen en toepassingen.
Nationaal Programma Bodem, Ondergrond en Grondwater
Het Nationaal Programma Bodem, Ondergrond en Grondwater richt zich op het veilig, duurzaam en efficiënt gebruiken van bodem, ondergrond en grondwater. Tijdens het webinar vertelt Boertien dat een conceptprogramma beschikbaar is en aan een ontwerpprogramma wordt gewerkt. Hij noemt eind 2026 als moment voor bestuurlijke accordering. Uit een poll blijkt dat ongeveer 90% van de deelnemers het programma nog niet kent. De planning in de presentatie noemt daarnaast april–juli 2026 voor de besluitvormingsfase en augustus–oktober 2026 voor de terinzagelegging; deze tijdsaanduidingen zijn niet gelijk aan het in het webinar genoemde moment voor bestuurlijke accordering.
Een voor de GWW-sector relevante programmalijn is 4D-regie op de ondergrond. Daarbij gaat het om inzicht in de ondergrond in 2D en 3D, aangevuld met tijd als vierde dimensie. Dit inzicht moet overheidsorganisaties helpen om beter regie te voeren op de inrichting van de ondergrond en op de samenhang tussen verschillende systemen. Ook deze programmalijn is bij ongeveer 90% van de deelnemers nog niet bekend.
Rond deze programmalijn wordt onder andere samengewerkt met het Centrum voor Ondergronds Bouwen (COB), Platform ISOR, Stichting RIONED, CROW, DigiGo, Grounded, gemeenten en DMI. Ook de Basisregistratie Ondergrond (BRO) wordt bij de ontwikkeling betrokken. Tijdens de Q&A wordt een workshop in Leiden genoemd, waarin de gemeente en onder andere netbeheerders onderzochten hoe de meerwaarde van de BRO beter kan worden benut en hoe landelijke regie kan worden gestimuleerd.
Praktijkvoorbeeld: 4D-regie: datalandschap en gegevensuitwisseling voor de ondergrond
Contactpersoon: Roy Boertien, adviseur smart cities, ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Terug naar alle Praktijkvoorbeelden
De samenwerking rond 4D-regie op de ondergrond is in ongeveer twee jaar ontwikkeld van ideevorming naar voorbereiding en uitvoering. Tijdens een bijeenkomst over Regie op de Ondergrond op 24 september 2025 zijn vragen en behoeften van overheden en netbeheerders verzameld en gekoppeld aan beschikbaar aanbod. De volgende stap is het verder uitwerken van concrete projecten.
Daarbij worden drie typen activiteiten genoemd:
- het ontwikkelen van een datalandschap voor bodem en ondergrond, zodat duidelijk wordt welke gegevens beschikbaar zijn;
- het ontwikkelen van een dataspace waarmee gegevens veilig en vertrouwd tussen partijen kunnen worden uitgewisseld;
- monitoring van bodem en ondergrond.
De presentatie werkt deze activiteiten technisch verder uit. Het datalandschap omvat een analyse van gegevens en datastromen op basis van FAIR-principes, inclusief infrastructuur en procesinformatie die buiten een eerdere analyse van Highberg vielen. Voor de dataspace worden eisen aan veilige gegevensuitwisseling en federatieve oplossingen verkend, met het oog op FDS. Bij monitoring gaat het om het toetsen van Europese rapportagebehoeften aan het bestaande data- en proceslandschap, onder meer voor de Europese Bodemmonitoringsrichtlijn.
De aanpak was aanvankelijk sterk gericht op stedelijk gebied, waar de ondergrond door de ruimtelijke druk complex is. Boertien noemt ook een bredere relevantie, bijvoorbeeld voor de Kaderrichtlijn Water en Europese ontwikkelingen rond bodemherstel en bodemmonitoring. Ook daar is inzicht nodig in beschikbare data en informatie.
Overheden worden uitgenodigd om projecten in te brengen waarin deze aanpak kan worden toegepast. Een eerste stap kan bestaan uit het inventariseren van beschikbare data. Daarna kan worden onderzocht hoe gegevens tussen organisaties kunnen worden uitgewisseld. Het doel is daarbij ook dat organisaties van elkaar leren en hun eigen data beter op orde krijgen.
Datagedreven gebiedsontwikkeling
Een tweede samenwerking richt zich op toekomstbestendige gebiedsontwikkeling. De aanleiding ligt onder meer bij woningbouw en de ontsluiting daarvan. Het doel is verschillende fasen van gebiedsontwikkeling te versnellen en te verkorten door data en inzichten beter te benutten en waar mogelijk dezelfde databronnen in verschillende fasen te gebruiken.
Hiervoor worden met verschillende overheden actieplannen opgesteld. De onderwerpen gaan verder dan alleen de ondergrond. Ook circulair bouwen en waterbewust bouwen worden genoemd. De aanpak rond bodem en ondergrond moet uiteindelijk modulair kunnen worden toegepast binnen gebiedsontwikkelingen, bijvoorbeeld via druktekaarten die zowel op strategisch als operationeel niveau inzicht geven.
Tijdens de Q&A bevestigt Boertien dat ook de versterking van het elektriciteitsnet binnen deze opgave past. Wanneer straten moeten worden opengebroken, is vooraf inzicht nodig in wat zich in de ondergrond bevindt en welke partijen daar belangen hebben. De gegevens die tijdens de werkzaamheden worden verzameld, moeten vervolgens worden vastgelegd zodat ze later opnieuw kunnen worden gebruikt.
Praktijkvoorbeeld: DMI-marktplaats voor gegevensdeling onder voorwaarden
Contactpersoon: Roy Boertien, adviseur smart cities, ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Terug naar alle Praktijkvoorbeelden
In antwoord op een vraag tijdens het webinar legt Boertien uit dat de samenwerking niet beperkt is tot openbare gegevens. DMI werkt met een intelligente marktplaats waarmee data en diensten onder voorwaarden veilig en vertrouwd kunnen worden gedeeld. Daarmee kunnen ook gegevens beschikbaar worden gemaakt die niet volledig openbaar toegankelijk zijn. Daarbij kan worden vastgelegd wie de data voor welk doel mag gebruiken. DMI is hierover onder andere in gesprek met netbeheerders.
In de DMI-aanpak worden verschillende lagen met elkaar verbonden: beschikbare data, een platformlaag en een marktplaats voor het onder voorwaarden delen van data en diensten. Daarboven kunnen toepassingen en digital twins worden ontwikkeld. Via bijvoorbeeld een City Support Center kunnen de uitkomsten vervolgens worden gebruikt voor sturing. Daarbij wordt ook gekeken naar afspraken over data binnen publiek-private samenwerkingen.
Netwerk van Lokale Digitale Tweelingen
In de poll geeft circa 15% van de deelnemers aan het Netwerk van Lokale Digitale Tweelingen (NLDT) te kennen. DMI is volgens Boertien ongeveer 2,5 jaar voor het webinar officieel gestart en werkt sindsdien aan het organiseren van een netwerk rond digitale tweelingen. In 2024 en 2025 is eerst geïnventariseerd welke netwerken al actief waren. Een inventarisatie van ongeveer 1,5 jaar voor het webinar leverde circa 40 netwerken op die zich op een of andere manier met digitale tweelingen bezighielden.
Daarnaast wordt geprobeerd bijeenkomsten en programmering beter op elkaar af te stemmen. Op 3 maart 2026 vond een eerste bijeenkomst vanuit dit netwerk plaats om zichtbaar te maken welke ontwikkelingen rond digitale tweelingen in Nederland spelen.
Tijdens de Q&A licht Boertien toe dat de oorsprong van DMI onder meer bij de G40 ligt en bij de vraag hoe slimme en duurzame verstedelijking kan worden ondersteund. Het gebruikte concept is echter breder toepasbaar. Dezelfde structuur van dataplatform, visualisatie en toepassingen kan bijvoorbeeld ook op regionaal niveau worden gebruikt door provincies, Rijkswaterstaat en waterschappen.
Praktijkvoorbeeld: Vraagarticulatie en digital twin-recepten voor herbruikbare toepassingen
Contactpersoon: Roy Boertien, adviseur smart cities, ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Terug naar alle Praktijkvoorbeelden
Binnen het programma wordt gewerkt met een definitie van een digitale tweeling van de fysieke leefomgeving uit het beleidsprogramma Zicht op Nederland. Een digitale tweeling combineert data, modellen en visualisaties om aspecten van de fysieke leefomgeving te simuleren en te analyseren.
Een belangrijk uitgangspunt is dat deze onderdelen niet allemaal door één partij hoeven te worden geleverd. Analysemogelijkheden, visualisatie en de gebruikte databronnen moeten van elkaar kunnen worden losgekoppeld. Geonovum werkt daarvoor met OGC API-standaarden.
Naast de technische architectuur wordt gewerkt aan procesbegeleiding. Met een vraagarticulatiecanvas wordt eerst bepaald welke maatschappelijke behoefte centraal staat, welke digital twin daarvoor nodig is en aan welke functionaliteiten deze moet voldoen. Pas daarna wordt gekeken naar benodigde technologie en data en kan worden toegewerkt naar prototypes en toepassingen.
Mensen worden opgeleid om dit proces te begeleiden. Ook worden use cases gedocumenteerd. Het doel is een catalogus van zogenoemde digital twin-recepten op te bouwen die organisaties met elkaar kunnen delen, actualiseren en hergebruiken. Daarmee hoeft een organisatie binnen het ene ecosysteem niet opnieuw hetzelfde te ontwikkelen wanneer vergelijkbare functionaliteit elders al beschikbaar is. Aanpassing aan de eigen situatie kan wel nodig blijven.
Digital twin-recepten uitwisselen
De recepten moeten niet alleen de beschrijving van een use case bevatten, maar ook aangeven wat technisch moet worden ingericht. Hiervoor wordt gewerkt aan infrastructuur die aansluit op de NLDT-referentiearchitectuur.
Een voorbeeld uit Rotterdam laat zien hoe verschillende onderdelen kunnen worden gecombineerd.
Praktijkvoorbeeld: Digitale tweeling voor hittestressanalyse in Rotterdam
Terug naar alle Praktijkvoorbeelden
Als fundament wordt een open urban platform gebruikt waarop datasets van de gemeente Rotterdam en andere partijen veilig en vertrouwd beschikbaar kunnen worden gesteld. Voor een hittestressanalyse worden data gecombineerd met een rekenmodel en vervolgens gevisualiseerd in Unreal Engine, een visualisatie-engine die ook voor videogames wordt gebruikt.
Praktijkvoorbeeld: Digitale tweeling voor wateroverlastanalyse en hergebruik tussen gemeenten
Terug naar alle Praktijkvoorbeelden
Met dezelfde principes kan een analyse voor wateroverlast worden uitgevoerd. Daarbij kan worden berekend welke gebouwen bij een bepaalde hoeveelheid neerslag met wateroverlast te maken krijgen. De toepassing is vanuit Rotterdam verder ontwikkeld in Almere, waarna Rotterdam weer met de doorontwikkeling aan de slag is gegaan. Dit hergebruik wordt gezien als een voorbeeld van het beoogde uitwisselen van digital twin-recepten.
Ook mobiliteitsanalyses kunnen volgens hetzelfde principe worden opgebouwd door het datafundament, de rekenmodellen en de visualisatie van elkaar te scheiden.
De ambitie is om dergelijke toepassingen nationaal schaalbaar te maken. Tijdens de Q&A vertelt Boertien dat Stichting Digitale Tweeling Nederland al over een App Store beschikt en DMI over de Product en Data Exchange. In 2026 wordt onderzocht hoe deze voorzieningen en de referentiearchitectuur met elkaar kunnen worden verbonden. Organisaties kunnen al met de aanpak aan de slag, maar hoeveel stappen daarvoor nodig zijn hangt af van de digitale volwassenheid en technische mogelijkheden van de organisatie.
G4 werkt samen aan digital twins van de ondergrond
Binne Meijer laat in zijn presentatie over het 3D-ondergrondmodel zien hoe de vier grote gemeenten samenwerken aan digitalisering van de ondergrond. Hij spreekt namens Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht en de werkgroep digitalisering van Platform ISOR. Meijer werkt als adviseur bodem en ondergrond bij de gemeente Utrecht. Zijn achtergrond ligt in kabels en leidingen en beheer, onder andere bij de gemeente Utrecht en Stedin.
Digital twins van de ondergrond moeten volgens Meijer zichtbaar maken wat normaal niet zichtbaar is en het mogelijk maken om te rekenen met informatie die over de ondergrond beschikbaar is. Daarbij worden visualisaties en rekentools gecombineerd.
Voor de ontwikkeling van digital twins worden vijf sporen onderscheiden: basis- en kernregistraties, leefomgeving, gemeentelijk vastgoed, openbare ruimte en organisatie. In een poll herkent 16% van de deelnemers zich vooral in basis- en kernregistraties, 20% in leefomgeving, 0% in gemeentelijk vastgoed, 42% in openbare ruimte en 21% in organisatie.
Bij een tweede poll wordt gevraagd naar de grootste bottleneck bij digitalisering. Daarbij worden de eigen data, landelijke kernregistraties, samenwerking tussen collega’s, digitale infrastructuur en IT-systemen en een te hoge ambitielat als mogelijke knelpunten voorgelegd. De deelnemers kunnen slechts één antwoord kiezen. 50% noemt de eigen data als grootste bottleneck. Meijer benadrukt dat de G4 zelf eveneens eerst de eigen databases op orde probeert te krijgen en dat dit al een grote uitdaging is. Voor organisaties die nog weinig ervaring hebben met digital twins is dit waarschijnlijk een van de eerste stappen.
Boertien licht bij deze poll toe dat hoge ambities soms botsen met wat in projecten daadwerkelijk mogelijk is. Ook kan de communicatie naar buiten een verder gevorderd beeld schetsen dan de praktijk rechtvaardigt.
Datagaten tussen ontwerp, aanleg en beheer
Een belangrijk probleem is de overdracht van gegevens gedurende de levenscyclus van infrastructuur. Tussen ontwerp en realisatie enerzijds en assetmanagement anderzijds kan een datagat ontstaan. Ontwerp- en uitvoeringsdata komen niet vanzelfsprekend goed terecht in assetmanagementsystemen.
Een vergelijkbaar probleem ontstaat wanneer een weg, watergang, riool of ander object na een periode van beheer wordt vervangen en de openbare ruimte opnieuw wordt ingericht. De gegevens die tijdens het beheer zijn bijgehouden sluiten dan niet altijd aan op de informatiebehoefte van ontwerpers. Digital twins en geo-informatie kunnen helpen om deze fasen beter met elkaar te verbinden.
Tijdens de Q&A wordt ook het tekort aan personeel voor het verwerken van revisiegegevens besproken. Marco Scheffers voegt toe dat marktpartijen al met technieken voor as-built-inwinning en BIM werken, met name bij grotere partijen. Overheden kunnen die informatie echter niet altijd in dezelfde vorm verwerken. Daardoor wordt hoogwaardige informatie soms vereenvoudigd of bijvoorbeeld teruggebracht van een 3D-model naar een PDF, zodat vergunningtoetsers of assetbeheerders ermee kunnen werken.
Volgens Scheffers moeten overheden daarom niet alleen investeren in capaciteit, maar vooral ook in kennis en competenties van medewerkers. BIM en de combinatie van BIM en geo kunnen ook voor beheer veel waarde hebben.
De bredere werkwijze van Platform ISOR
Als aanvullende broninformatie beschrijft de gekoppelde pagina Wat we doen van Platform ISOR hoe gemeenten, Rijksoverheid en kennisinstellingen gezamenlijk instrumenten en methoden ontwikkelen. ISOR werkt met korte sprints, test en verbetert instrumenten in de praktijk en richt zich op implementatie en opschaling. Deze beschrijving geeft verdere achtergrond bij het samenwerkingsverband dat Meijer tijdens het webinar introduceert.
Praktijkvoorbeelden uit Rotterdam, Den Haag, Amsterdam en Utrecht
3D Rotterdam
De G4-gemeenten ontwikkelen ieder eigen toepassingen en wisselen kennis en oplossingen uit. Rotterdam heeft bijvoorbeeld 3D Rotterdam ontwikkeld. Meijer verwijst naar deze toepassing als een omgeving die iedereen kan bekijken. Hij noemt MicroStation als vermoedelijke softwarebasis en spreekt daarnaast over een FME-model.
Praktijkvoorbeeld: Dashboard voor groen tijdens langdurige gebiedsontwikkeling
Terug naar alle Praktijkvoorbeelden
Den Haag heeft in verschillende sprints producten ontwikkeld. Een genoemd voorbeeld is een dashboard voor hoogstedelijke gebiedsontwikkeling. Daarmee kan worden bekeken hoeveel groen tijdens een bouwperiode beschikbaar blijft. Bij gebiedsontwikkelingen die tientallen jaren duren kan dit helpen om ook tijdens de bouwperiode een prettige leefomgeving te behouden.
Praktijkvoorbeeld: Automatische clashdetectie voor vergunningen voor kabels en leidingen
Terug naar alle Praktijkvoorbeelden
Amsterdam ontwikkelt een clashdetectietool voor vergunningverlening rond kabels en leidingen. Wanneer een netwerkbedrijf een vergunning aanvraagt, kan het ontwerpbestand in het beheersysteem worden geladen. De tool vergelijkt het ontwerp met beschikbare gegevens, waaronder KLIC-data, en brengt mogelijke ruimtelijke conflicten in beeld.
De KLIC-data zijn volgens Scheffers niet altijd nauwkeurig. Toch helpt de toepassing vergunningtoetsers doordat zij direct een overzicht krijgen van mogelijke clashes en op basis daarvan met de indiener van de vergunning in gesprek kunnen gaan.
Tijdens de Q&A legt Scheffers uit dat de toepassing vooralsnog binnen Amsterdam wordt ontwikkeld. Over verdere deelbaarheid wordt met DMI gesproken, maar daarvoor is op dat moment nog geen concreet plan. Binnen de G4 is wel afgesproken dat ontwikkelde inhoud en kennis beschikbaar worden gesteld aan andere organisaties. De toepassing maakt gebruik van FME, waarvoor software moet worden aangeschaft. De gebruikte scripts, kennis en parameters kunnen volgens Scheffers door anderen worden overgenomen.
Ook damwanden zijn onderdeel van de ondergrondse digital twin van Amsterdam, maar de registratie daarvan is nog niet overal volledig of van dezelfde kwaliteit. In antwoord op een vraag vertelt Scheffers dat Amsterdam werkt aan een betere registratie van damwanden en aan het meenemen daarvan in clashdetecties.
Over de bestandsstandaarden licht Scheffers tijdens de Q&A toe dat Amsterdam in de vergunningsvereisten vraagt om met NLCS te werken. De gemeente wil geleidelijk doorgroeien naar NLCS++, zodat informatie objectgericht kan worden verwerkt.
Tools van andere gemeenten hergebruiken
Tijdens de Q&A geeft Meijer een voorbeeld van hergebruik: een tool voor de inpassing van transformatorhuisjes. Amsterdam ontwikkelde eerst een dergelijke tool. Utrecht heeft deze bekeken en vervolgens een eigen versie gemaakt. De oplossingen kunnen daarna naast elkaar worden gelegd en verder worden verbeterd. Andere toepassingen worden rechtstreeks van elkaar overgenomen.
Deze werkwijze sluit aan bij het eerder genoemde principe van digital twin-recepten: een toepassing hoeft niet telkens vanaf nul te worden ontwikkeld, maar kan worden hergebruikt en aangepast aan een andere lokale situatie.
Praktijkvoorbeeld: Warmtenetanalyse voor ondergrondse inpassing en koppelkansen
Contactpersoon: Binne Meijer, adviseur bodem en ondergrond, gemeente Utrecht
Terug naar alle Praktijkvoorbeelden
In Utrecht is een toepassing ontwikkeld vanuit een concrete vraag rond de energietransitie. Vera, die Meijer introduceert als trekker van de energietransitie, wil kostenverhogende belemmeringen in een kaart kunnen zien. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gekeken naar boomwortels en bestaande infrastructuur die de aanleg van een warmtenet bemoeilijken. Tegelijkertijd kunnen mogelijke koppelkansen worden onderzocht.
Als een straat toch wordt aangepakt voor een warmtenet, kunnen werkzaamheden bijvoorbeeld worden gecombineerd met een hemelwaterriool, vuilwaterriool, het planten van bomen, de aanleg van wadi’s of waterinfiltratie.
De Utrechtse tool kan zelf een mogelijk tracé voor een warmtenet van straathoek tot straathoek bepalen. Op basis van aanwezige belemmeringen geeft de toepassing aan hoe moeilijk of eenvoudig aanleg op verschillende delen van het tracé is. Dat wordt weergegeven met onder meer rood, oranje en groen. Zo kan voor een heel gebied of voor één straat worden geanalyseerd hoe eenvoudig een asset kan worden ingepast.
De getoonde slide laat zien dat zowel panden als tracés een oordeel krijgen. Ook wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwe aanleg, aansluiting bij een bestaand warmtenet en panden die reeds aardgasvrij zijn.
Een volgende ambitie is om deze analyse uit te breiden tot een kostentool. De classificatie rood, oranje en groen zou dan worden gekoppeld aan bedragen in euro’s.
Vragen en antwoorden
Hoe verhoudt 4D-regie op de ondergrond zich tot de BRO?
Tijdens de Q&A wordt toegelicht dat wordt onderzocht hoe de Basisregistratie Ondergrond onderdeel kan worden van zowel het bredere Nationaal Programma Bodem, Ondergrond en Grondwater als de programmalijn 4D-regie op de ondergrond. Vanuit de BRO wordt hiervoor samengewerkt met betrokkenen bij deze programma’s. In Leiden is samen met de gemeente en onder andere netbeheerders onderzocht hoe de meerwaarde van de BRO verder kan worden benut. Daarbij zijn ook actiepunten benoemd om landelijke regie te stimuleren.
Welke organisaties en initiatieven kunnen nog bijdragen aan 4D-regie op de ondergrond?
Tijdens een open poll vraagt Roy Boertien welke samenwerkingsverbanden nog ontbreken rond 4D-regie op de ondergrond. In de voorgelezen antwoorden worden het Hoogwaterbeschermingsprogramma, KLO, KLIC, het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), Grondbank, Rijkswaterstaat, netbeheerders, Building Balance, Samen slimmer renoveren en vervangen in Noord-Holland en het Gemeentelijk Geoberaad genoemd. Ook de Kaderrichtlijn Water wordt als aanknopingspunt aangedragen.
Dit zijn suggesties van deelnemers voor verdere verbinding, geen bevestigde lijst van nieuwe samenwerkingspartners. Boertien licht toe dat VNG en IPO als bredere samenwerkingsverbanden al op verschillende plekken betrokken zijn.
Kunnen ook provincies, Rijkswaterstaat en waterschappen aansluiten?
Hoewel DMI vanuit de G40 en stedelijke ontwikkeling is ontstaan, is het conceptuele model volgens Boertien breder toepasbaar. Een regio kan volgens dezelfde structuur werken met een dataplatform, visualisaties en toepassingen. Daarmee is de aanpak ook relevant voor regionale en landelijke organisaties.
Moeten alle gegevens openbaar beschikbaar zijn?
Nee. Boertien legt uit dat DMI zich ook richt op gegevens die minder toegankelijk zijn. Via een intelligente marktplaats kunnen data en diensten veilig en vertrouwd onder voorwaarden worden gedeeld. Daarbij kan worden bepaald wie de informatie voor welk doel mag gebruiken. Met netbeheerders wordt bijvoorbeeld onderzocht hoe beschikbare gegevens op deze manier kunnen worden ontsloten.
Hoe deelbaar zijn de ontwikkelde digital twin-tools?
Het delen van toepassingen wordt nog verder ontwikkeld. Stichting Digitale Tweeling Nederland heeft een App Store en DMI beschikt over de Product en Data Exchange. In 2026 wordt onderzocht hoe deze voorzieningen en de NLDT-referentiearchitectuur met elkaar kunnen worden verbonden.
Binnen de G4 geldt dat ontwikkelde kennis en inhoud met andere organisaties kunnen worden gedeeld. Bij toepassingen die gebruikmaken van commerciële software, zoals FME, moet die software wel beschikbaar zijn. Scripts, gebruikte parameters en kennis kunnen volgens het webinar wel worden overgenomen. Dit betekent niet dat elke toepassing al zonder verdere inrichting kan worden geïnstalleerd.
Hoe kunnen kosten aan een ondergrondse inpassing worden gekoppeld?
DMI heeft de markt gevraagd welke partijen dergelijke kostentools aanbieden. Meijer noemt Van Gelder en TNO als partijen die al toepassingen hebben ontwikkeld die hierop lijken. Kosten kunnen per regio en locatie verschillen, onder meer afhankelijk van de waarde van bestaande infrastructuur en de ingrepen die nodig zijn.
Voor ramingen zijn daarnaast kengetallen nodig. Boertien stelt voor om afspraken te maken over de gebruikte kengetallen en over actualisering, bijvoorbeeld jaarlijks of door indexering. Een financieel beeld is uiteindelijk nodig om besluitvormers te laten zien wat een investering kost en oplevert.
Moeten werkzaamheden altijd worden gecombineerd?
Nee. Inzicht in de ondergrond kan juist laten zien dat koppelen niet altijd de beste oplossing is. Meijer licht toe dat het bij vertraging in de warmtetransitie soms efficiënter is om werkzaamheden afzonderlijk uit te voeren. Dan kan juist worden versneld op locaties waar koppelen niet mogelijk of niet doelmatig is.
Datakwaliteit als basis voor verdere digitalisering
De belangrijkste gezamenlijke oproep aan weg- en waterbeheerders is om te investeren in goede data. Digital twins bieden mogelijkheden voor rekenmodellen, visualisaties en gezamenlijk ontwerpen met ketenpartners, maar deze toepassingen zijn afhankelijk van de kwaliteit en beschikbaarheid van gegevens.
Daarbij gaat het niet alleen om gegevens over fysieke assets. Ook omgevingsdata, bijvoorbeeld over grondwater en regenval, zijn nodig om de fysieke leefomgeving goed te kunnen simuleren. Scheffers roept op om BIM-principes breder toe te passen, zowel door marktpartijen als door overheden.
Voor beheerders is het bovendien belangrijk om verantwoordelijkheid te nemen voor gegevens over de eigen assets. Die data kunnen in de toekomst grote waarde krijgen voor beheer, ontwerp, simulaties en nieuwe toepassingen. Meijer sluit hierbij aan met de constatering dat de helft van de deelnemers de eigen data als grootste bottleneck noemt.
Naast het verbeteren van de eigen datakwaliteit is de oproep om aansluiting te zoeken bij bestaande netwerken. Voor verdere verdieping in de besproken samenwerkingen kunnen geïnteresseerden contact opnemen met Roy Boertien of Binne Meijer.
De terugblikpagina verwijst daarnaast naar DigiShape. Als aanvullende broninformatie beschrijft de website dit als een open innovatieplatform waarin bedrijven, kennisinstellingen en overheden samenwerken aan digitalisering van de watersector. Deze verwijzing biedt waterbeheerders een aanvullend netwerk om te verkennen.
De samenwerking tussen de G4 laat ook een organisatorische succesfactor zien. De betrokken medewerkers spreken elkaar regelmatig fysiek, bezoeken elkaars steden en investeren naast de inhoudelijke samenwerking ook in de onderlinge relatie. Volgens Meijer helpt juist dat sociale aspect bij de samenwerking en het uitwisselen van kennis en toepassingen.
Dit artikel is samengesteld met behulp van AI op basis van de terugblik Samenwerken aan digitalisering in de GWW: netwerken in kaart – 17 april 2026. Mochten er onjuistheden in staan, neem dan contact met ons op.