Kennisbank artikel - Samenwerken aan digitalisering in de GWW: netwerken in kaart

Uitgebreid inhoudelijk verslag webinar 17-04-2026

Rond AI, digitalisering en data bestaan veel netwerken, programma’s en samenwerkingsverbanden. Voor weg- en waterbeheerders is het niet altijd eenvoudig om te bepalen waar relevante kennis wordt ontwikkeld en bij welke samenwerking zij kunnen aansluiten. In dit webinar brengt Roy Boertien, adviseur smart cities bij het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en actief voor het DMI-ecosysteem, drie relevante samenwerkingen in kaart. Binne Meijer, beleidsadviseur en ondergronds planoloog bij de gemeente Utrecht en betrokken bij Platform ISOR, laat vervolgens zien hoe de G4-gemeenten samenwerken aan digital twins en 3D-ondergrondmodellen. Marco Scheffers vult dit aan met voorbeelden uit Amsterdam. De presentaties van Roy Boertien en Binne Meijer zijn beschikbaar via de terugblikpagina van het webinar.

Op de terugblikpagina worden daarnaast onder meer Digital Twin NL, Zicht op Nederland, het Centrum voor Ondergronds Bouwen en DigiShape genoemd als relevante netwerken en initiatieven. DigiShape wordt in het aangeleverde webinartranscript niet verder inhoudelijk besproken.

Inhoudsopgave

 

Drie relevante samenwerkingen rond digitalisering

Terug naar inhoudsopgave

Bekijk de terugblik vanaf hier op YouTube

Roy Boertien onderscheidt tijdens het webinar drie samenwerkingen die volgens hem relevant zijn voor de GWW-sector: het Nationaal Programma Bodem, Ondergrond en Grondwater, de samenwerkingsagenda voor toekomstbestendige gebiedsontwikkeling en het netwerk rond lokale digitale tweelingen. Vanuit het DMI-ecosysteem wordt binnen en tussen deze ontwikkelingen gewerkt aan het verbinden van data, digitale infrastructuur, rekenmodellen en toepassingen.

Nationaal Programma Bodem, Ondergrond en Grondwater

Het Nationaal Programma Bodem, Ondergrond en Grondwater richt zich volgens Boertien op het veilig, duurzaam en efficiënt gebruiken van bodem- en grondwatersystemen. Tijdens het webinar was al een conceptprogramma opgesteld en werd gewerkt aan een ontwerpprogramma. Bestuurlijke accordering was volgens Boertien voorzien voor eind 2026. Uit een poll tijdens het webinar bleek dat ongeveer 90% van de deelnemers het programma nog niet kende.

Een voor de GWW-sector relevante programmalijn is 4D-regie op de ondergrond. Daarbij gaat het om inzicht in de ondergrond in 2D en 3D, aangevuld met tijd als vierde dimensie. Dit inzicht moet overheidsorganisaties helpen om beter regie te voeren op de inrichting van de ondergrond en de samenhang tussen verschillende systemen. Ook bij een poll over deze specifieke programmalijn gaf ongeveer 90% van de deelnemers aan deze nog niet te kennen.

Rond 4D-regie op de ondergrond wordt volgens Boertien onder andere samengewerkt met het Centrum voor Ondergronds Bouwen, Platform ISOR, Stichting RIONED, CROW, DigiGo, Grounded, gemeenten en DMI. Ook de Basisregistratie Ondergrond wordt bij de ontwikkeling betrokken.

Van ideevorming naar gezamenlijke projecten

De samenwerking rond 4D-regie op de ondergrond is volgens Boertien in ongeveer twee jaar ontwikkeld van ideevorming naar voorbereiding en uitvoering. Tijdens een bijeenkomst over Regie op de Ondergrond op 24 september zijn vragen en behoeften van overheden en netbeheerders verzameld en gekoppeld aan beschikbaar aanbod. De volgende stap is het verder uitwerken van concrete projecten.

Daarbij worden drie typen activiteiten genoemd:

  • het ontwikkelen van een datalandschap voor bodem en ondergrond, zodat inzichtelijk wordt welke gegevens beschikbaar zijn;
  • het ontwikkelen van een dataspace voor het veilig en vertrouwd uitwisselen van gegevens tussen partijen;
  • monitoring van bodem en ondergrond.

De aanpak was aanvankelijk sterk gericht op stedelijk gebied, waar de ruimtelijke druk in de ondergrond groot is. Boertien noemt echter ook bredere toepassingen. Voor onder meer de Kaderrichtlijn Water en Europese ontwikkelingen rond bodemherstel en bodemmonitoring is eveneens inzicht nodig in beschikbare data en informatie.

Overheden worden tijdens het webinar uitgenodigd om projecten in te brengen waarin deze aanpak kan worden toegepast. Een eerste stap kan bestaan uit het inventariseren van beschikbare data. Daarna kan worden onderzocht hoe gegevens tussen organisaties kunnen worden uitgewisseld. Het doel is ook dat organisaties van elkaar leren en hun eigen data beter op orde krijgen.

De Basisregistratie Ondergrond meenemen

Tijdens een vraag uit het webinar licht Boertien toe dat wordt onderzocht hoe de Basisregistratie Ondergrond onderdeel kan worden van zowel het bredere Nationaal Programma Bodem, Ondergrond en Grondwater als 4D-regie op de ondergrond. In Leiden is samen met de gemeente en onder andere netbeheerders een workshop georganiseerd over het beter benutten van de BRO. Daaruit kwamen volgens Boertien ook actiepunten voort om landelijke regie verder te stimuleren.

Datagedreven gebiedsontwikkeling

Terug naar inhoudsopgave

Bekijk de terugblik vanaf hier op YouTube

Een tweede samenwerking die Boertien bespreekt is de samenwerkingsagenda voor toekomstbestendige gebiedsontwikkeling. De aanleiding ligt onder meer bij woningbouw en de ontsluiting daarvan. Het doel is verschillende fasen van gebiedsontwikkeling te versnellen en te verkorten door data en inzichten beter te benutten en waar mogelijk dezelfde databronnen in verschillende fasen te gebruiken.

Hiervoor worden met verschillende overheden actieplannen opgesteld. De onderwerpen gaan verder dan alleen de ondergrond. Ook circulair bouwen en waterbewust bouwen worden tijdens het webinar genoemd. De aanpak rond bodem en ondergrond moet uiteindelijk modulair kunnen worden toegepast binnen gebiedsontwikkelingen, bijvoorbeeld via druktekaarten die zowel op strategisch als operationeel niveau inzicht geven.

Netverzwaring meenemen in de data-aanpak

Tijdens het webinar wordt gevraagd of ook de versterking van het elektriciteitsnet en het daarvoor openbreken van straten binnen deze opgave passen. Boertien bevestigt dat hiernaar wordt gekeken. Vooraf is inzicht nodig in wat zich in de ondergrond bevindt en welke partijen daar belangen hebben. Wanneer een straat vervolgens wordt opengebroken en infrastructuur wordt aangelegd, moeten de daarbij verzamelde gegevens volgens hem ook worden vastgelegd voor later hergebruik.

Niet alleen openbare data

De samenwerking is niet beperkt tot openbare gegevens. Boertien legt tijdens het webinar uit dat DMI werkt met een intelligente marktplaats waarmee data en diensten onder voorwaarden veilig en vertrouwd kunnen worden gedeeld. Daarmee kunnen ook gegevens beschikbaar worden gemaakt die niet volledig openbaar toegankelijk zijn. Er kan bijvoorbeeld worden vastgelegd wie de data voor welk doel mag gebruiken. DMI is hierover volgens Boertien onder andere in gesprek met netbeheerders.

In de DMI-aanpak worden verschillende lagen met elkaar verbonden: beschikbare data, een platformlaag en een marktplaats voor het onder voorwaarden delen van data en diensten. Daarboven kunnen toepassingen en digital twins worden ontwikkeld. Via bijvoorbeeld een City Support Center kunnen de uitkomsten worden gebruikt voor sturing. Daarbij wordt ook gekeken naar afspraken over data binnen publiek-private samenwerkingen.

Netwerk van Lokale Digitale Tweelingen

Terug naar inhoudsopgave

Bekijk de terugblik vanaf hier op YouTube

DMI was volgens Boertien ongeveer 2,5 jaar voor de webinarsessie officieel van start gegaan en werkte sindsdien aan het organiseren van een netwerk rond digitale tweelingen. Een inventarisatie van ongeveer 1,5 jaar voor het webinar leverde circa 40 netwerken op die zich op een of andere manier met digitale tweelingen bezighielden.

Bij een poll tijdens het webinar gaf ongeveer 15% van de deelnemers aan al van het programma Netwerk van Lokale Digitale Tweelingen te hebben gehoord. Binnen het netwerk wordt onder meer geprobeerd bijeenkomsten en programmering beter op elkaar af te stemmen. Op 3 maart 2026 vond volgens Boertien een eerste bijeenkomst vanuit dit netwerk plaats om zichtbaar te maken welke ontwikkelingen rond digitale tweelingen in Nederland spelen.

De oorsprong van DMI ligt onder meer bij de G40 en de vraag hoe slimme en duurzame verstedelijking kan worden ondersteund. Het gebruikte concept is volgens Boertien echter breder toepasbaar. Dezelfde structuur van dataplatform, visualisatie en toepassingen kan bijvoorbeeld ook op regionaal niveau worden gebruikt door provincies, Rijkswaterstaat en waterschappen.

Data, modellen en visualisatie los van elkaar organiseren

Binnen het programma wordt gewerkt met een definitie van een digitale tweeling van de fysieke leefomgeving uit het beleidsprogramma Zicht op Nederland. Tijdens het webinar beschrijft Boertien een digitale tweeling als een combinatie van onder meer data, dataverwerking, rekenmodellen en visualisaties. Op de gekoppelde pagina van Zicht op Nederland wordt aanvullend beschreven dat het programma Digitale Tweelingen samen met overheden, bedrijven en kennisinstellingen werkt aan een netwerk van lokale digitale tweelingen.

Een belangrijk uitgangspunt in de webinarpresentatie is dat de verschillende onderdelen niet allemaal door één partij hoeven te worden geleverd. Analysemogelijkheden, visualisatie en gebruikte databronnen moeten van elkaar kunnen worden losgekoppeld. Boertien noemt daarbij het werk van Geonovum met OGC API-standaarden.

Naast de technische architectuur wordt gewerkt aan procesbegeleiding. Met een vraagarticulatiecanvas wordt eerst bepaald welke maatschappelijke behoefte centraal staat, welke digital twin daarvoor nodig is en aan welke functionaliteiten deze moet voldoen. Pas daarna wordt gekeken naar de benodigde technologie en data en kan worden toegewerkt naar prototypes en toepassingen.

Mensen worden volgens Boertien opgeleid om dit proces te begeleiden en use cases worden gedocumenteerd. Het doel is een catalogus van zogenoemde digital twin-recepten op te bouwen die organisaties kunnen delen, actualiseren en hergebruiken. Daarmee hoeft een organisatie niet opnieuw hetzelfde te ontwikkelen wanneer vergelijkbare functionaliteit elders al beschikbaar is.

Digital twin-recepten uitwisselen

De recepten moeten niet alleen de beschrijving van een use case bevatten, maar ook aangeven wat technisch moet worden ingericht. Hiervoor wordt gewerkt aan infrastructuur die aansluit op de NLDT-referentiearchitectuur.

Praktijkvoorbeeld: Rotterdam en Almere hergebruiken digital twin-analyses voor hitte en wateroverlast

Terug naar alle Praktijkvoorbeelden

Een voorbeeld uit Rotterdam laat volgens het webinar zien hoe verschillende onderdelen kunnen worden gecombineerd. Als fundament wordt een open urban platform gebruikt waarop datasets van de gemeente Rotterdam en andere partijen beschikbaar kunnen worden gesteld. Voor een hittestressanalyse worden data gecombineerd met een rekenmodel en vervolgens gevisualiseerd in Unreal Engine.

Met dezelfde principes kan een analyse voor wateroverlast worden uitgevoerd. Daarbij kan worden berekend welke gebouwen bij een bepaalde hoeveelheid neerslag met wateroverlast te maken krijgen. Boertien vertelt dat de toepassing vanuit Rotterdam verder is ontwikkeld in Almere, waarna Rotterdam weer met de doorontwikkeling aan de slag is gegaan. Dit hergebruik is een voorbeeld van het beoogde uitwisselen van digital twin-recepten.

Ook mobiliteitsanalyses kunnen volgens hetzelfde principe worden opgebouwd door het datafundament, de rekenmodellen en de visualisatie van elkaar te scheiden.

De ambitie is om dergelijke toepassingen nationaal schaalbaar te maken. Tijdens het webinar noemt Boertien een App Store van Stichting Digitale Tweeling Nederland en de Product en Data Exchange van DMI. In 2026 werd onderzocht hoe deze voorzieningen en de referentiearchitectuur met elkaar konden worden verbonden. Hoeveel stappen een organisatie nodig heeft om met deze aanpak te werken, hangt volgens hem onder meer af van de digitale volwassenheid en technische mogelijkheden.

G4 werkt samen aan digital twins van de ondergrond

Terug naar inhoudsopgave

Bekijk de terugblik vanaf hier op YouTube

Binne Meijer werkt als beleidsadviseur en ondergronds planoloog bij de gemeente Utrecht en spreekt tijdens het webinar namens de vier grote gemeenten en de werkgroep digitalisering van Platform ISOR, Integrale Samenwerking Openbare Ruimte. Zijn achtergrond ligt volgens zijn toelichting onder meer in kabels en leidingen en beheer.

Digital twins van de ondergrond moeten volgens Meijer zichtbaar maken wat normaal niet zichtbaar is en het mogelijk maken om te rekenen met informatie die over de ondergrond beschikbaar is. Daarbij worden visualisaties en rekentools gecombineerd.

Voor de ontwikkeling van digital twins worden vijf sporen onderscheiden: basis- en kernregistraties, leefomgeving, gemeentelijk vastgoed, openbare ruimte en organisatie. In een poll herkende 16% van de deelnemers zich vooral in basis- en kernregistraties, 20% in leefomgeving, 0% in gemeentelijk vastgoed, 42% in openbare ruimte en 21% in organisatie.

Bij een tweede poll werd gevraagd naar de grootste bottleneck bij digitalisering. De keuzemogelijkheden waren de eigen data, landelijke kernregistraties, samenwerking tussen collega's, digitale infrastructuur en IT-systemen en een te hoge ambitielat. De deelnemers konden slechts één antwoord kiezen. Aan het einde van het webinar vat Meijer de uitkomst samen met de constatering dat de helft van de aanwezigen aangaf dat de eigen data niet op orde was. Hij benadrukt dat ook de G4 eerst de eigen databases op orde probeert te krijgen en dat dit al een grote uitdaging is.

Datagaten tussen ontwerp, aanleg en beheer

Een belangrijk probleem is volgens Meijer de overdracht van gegevens gedurende de levenscyclus van infrastructuur. Tussen ontwerp en realisatie enerzijds en assetmanagement anderzijds kan een datagat ontstaan. Ontwerp- en uitvoeringsdata komen niet vanzelfsprekend goed terecht in assetmanagementsystemen.

Een vergelijkbaar probleem ontstaat wanneer een weg, watergang, riool of ander object na een periode van beheer wordt vervangen en de openbare ruimte opnieuw wordt ingericht. De gegevens die tijdens het beheer zijn bijgehouden sluiten dan niet altijd aan op de informatiebehoefte van ontwerpers. Digital twins en geo-informatie kunnen helpen om deze fasen beter met elkaar te verbinden.

Ook capaciteit en competenties vormen een aandachtspunt. Marco Scheffers vertelt dat marktpartijen al werken met technieken voor as-built-inwinning en BIM, met name grotere partijen. Overheden kunnen die informatie echter niet altijd in dezelfde vorm verwerken. Daardoor wordt hoogwaardige informatie soms vereenvoudigd of bijvoorbeeld teruggebracht van een 3D-model naar een PDF, zodat vergunningtoetsers of assetbeheerders ermee kunnen werken.

Volgens Scheffers moeten overheden daarom niet alleen investeren in capaciteit, maar vooral ook in kennis en competenties van medewerkers. BIM en de combinatie van BIM en geo kunnen volgens hem ook voor beheer veel waarde hebben.

Praktijkvoorbeelden uit Rotterdam, Den Haag, Amsterdam en Utrecht

Terug naar inhoudsopgave

Bekijk de terugblik vanaf hier op YouTube

3D Rotterdam en groen tijdens gebiedsontwikkeling

De G4-gemeenten ontwikkelen ieder eigen toepassingen en wisselen kennis en oplossingen uit. Meijer noemt 3D Rotterdam als voorbeeld en geeft aan dat iedereen deze toepassing kan bekijken. Hij zegt tijdens het webinar dat de toepassing volgens hem is gebouwd op basis van MicroStation-software met daarop een FME-model.

Praktijkvoorbeeld: Den Haag monitort beschikbaar groen tijdens hoogstedelijke gebiedsontwikkeling

Terug naar alle Praktijkvoorbeelden

Den Haag heeft volgens Meijer in verschillende sprints producten ontwikkeld. Een genoemd voorbeeld is een dashboard voor hoogstedelijke gebiedsontwikkeling. Daarmee kan worden bekeken hoeveel groen tijdens een bouwperiode beschikbaar blijft. Bij gebiedsontwikkelingen die tientallen jaren duren kan zo worden voorkomen dat een gebied gedurende de hele periode alleen als bouwterrein functioneert.

Praktijkvoorbeeld: Amsterdam detecteert automatisch clashes bij vergunningen voor kabels en leidingen

Terug naar alle Praktijkvoorbeelden

Amsterdam ontwikkelt een clashdetectietool voor vergunningverlening rond kabels en leidingen. Scheffers legt uit dat een ontwerpbestand bij een vergunningsaanvraag in het beheersysteem kan worden geladen. De tool vergelijkt het ontwerp met beschikbare gegevens, waaronder KLIC-data, en brengt mogelijke ruimtelijke conflicten in beeld.

De KLIC-data zijn volgens Scheffers niet altijd nauwkeurig. Toch helpt de toepassing vergunningtoetsers doordat zij direct een overzicht krijgen van mogelijke clashes en op basis daarvan met de indiener van de vergunning in gesprek kunnen gaan.

De toepassing wordt vooralsnog binnen Amsterdam ontwikkeld. Binnen de G4 is volgens Scheffers afgesproken dat ontwikkelde inhoud en kennis beschikbaar worden gesteld aan andere organisaties. De toepassing maakt gebruik van FME, waarvoor software moet worden aangeschaft. De scripts, kennis en gebruikte parameters kunnen volgens hem wel worden gedeeld.

Ook damwanden zijn onderdeel van de ondergrondse digital twin van Amsterdam, maar de registratie daarvan is volgens Scheffers nog niet overal volledig of van dezelfde kwaliteit. Amsterdam werkt daarom aan een betere registratie van damwanden en wil deze ook meenemen bij clashdetecties.

Voor aangeleverde bestanden vraagt Amsterdam volgens Scheffers in de vergunningsvereisten om met NLCS te werken. De gemeente wil geleidelijk doorgroeien naar NLCS++, zodat informatie objectgericht kan worden verwerkt.

Tools van andere gemeenten hergebruiken

Gemeenten ontwikkelen niet alleen eigen toepassingen, maar kijken nadrukkelijk naar elkaars oplossingen. Meijer noemt een tool voor de inpassing van transformatorhuisjes. Amsterdam ontwikkelde eerst een dergelijke tool. Utrecht bekeek deze en ontwikkelde vervolgens een eigen versie. De oplossingen kunnen daarna naast elkaar worden gelegd en verder worden verbeterd. Andere toepassingen worden volgens Meijer ook rechtstreeks van elkaar overgenomen.

Deze manier van samenwerken sluit aan bij het eerder besproken principe van digital twin-recepten: een toepassing hoeft niet telkens vanaf nul te worden ontwikkeld, maar kan worden hergebruikt en aangepast aan een andere lokale situatie.

Praktijkvoorbeeld: Utrecht analyseert warmtenet-inpassing en koppelkansen in de openbare ruimte

Contactpersoon: Binne Meijer, beleidsadviseur en ondergronds planoloog, gemeente Utrecht

Terug naar alle Praktijkvoorbeelden

In Utrecht is een toepassing ontwikkeld vanuit een concrete vraag rond de energietransitie: welke belemmeringen zijn er in een straat voor de aanleg van een warmtenet? Daarbij kan bijvoorbeeld worden gekeken naar boomwortels en bestaande infrastructuur. Tegelijkertijd kunnen mogelijke koppelkansen worden onderzocht.

Meijer noemt als voorbeelden van zulke koppelkansen een hemelwaterriool, vuilwaterriool, het planten van bomen, de aanleg van wadi's en waterinfiltratie wanneer een straat toch wordt aangepakt voor een warmtenet.

De Utrechtse tool kan zelf een mogelijk tracé voor een warmtenet van straathoek tot straathoek bepalen. Op basis van aanwezige belemmeringen geeft de toepassing aan hoe moeilijk of eenvoudig aanleg op verschillende delen van het tracé is. Dit wordt weergegeven met onder meer rood, oranje en groen. Zo kan voor een heel gebied of voor één straat worden geanalyseerd hoe eenvoudig een asset kan worden ingepast.

Een volgende ambitie is om deze analyse uit te breiden tot een kostentool. De classificatie rood, oranje en groen zou dan worden gekoppeld aan bedragen in euro's.

Vragen en antwoorden

Terug naar inhoudsopgave

Kunnen ook provincies, Rijkswaterstaat en waterschappen aansluiten?

Tijdens de Q&A legt Boertien uit dat DMI weliswaar mede vanuit de G40 en stedelijke ontwikkeling is ontstaan, maar dat het conceptuele model breder toepasbaar is. Een regio kan volgens dezelfde structuur werken met een dataplatform, visualisaties en toepassingen. Daarmee is de aanpak volgens hem ook toepasbaar voor provincies, Rijkswaterstaat en waterschappen.

Moeten alle gegevens openbaar beschikbaar zijn?

Nee. Boertien benadrukt tijdens het webinar juist dat DMI ook kijkt naar data die minder toegankelijk zijn. Via de intelligente marktplaats kunnen data en diensten onder voorwaarden veilig en vertrouwd worden gedeeld. Daarbij kan worden bepaald wie de informatie voor welk doel mag gebruiken. Met netbeheerders wordt bijvoorbeeld onderzocht hoe beschikbare gegevens op deze manier kunnen worden ontsloten.

Hoe deelbaar zijn de ontwikkelde digital twin-tools?

Het delen van toepassingen wordt volgens het webinar nog verder ontwikkeld. Stichting Digitale Tweeling Nederland beschikt over een App Store en DMI over de Product en Data Exchange. In 2026 werd onderzocht hoe deze voorzieningen en de NLDT-referentiearchitectuur met elkaar kunnen worden verbonden.

Binnen de G4 geldt volgens Scheffers dat ontwikkelde kennis en inhoud met andere organisaties kunnen worden gedeeld. Bij toepassingen die gebruikmaken van commerciële software, zoals FME, moet die software wel beschikbaar zijn. Scripts, gebruikte parameters en kennis kunnen volgens zijn toelichting worden overgenomen.

Hoe kunnen kosten aan een ondergrondse inpassing worden gekoppeld?

Tijdens de Q&A vertelt Meijer dat DMI de markt heeft gevraagd welke partijen dergelijke kostentools aanbieden. Van Gelder en TNO worden genoemd als voorbeelden van partijen die al iets hebben ontwikkeld dat hierop lijkt. Het webinar geeft geen verdere technische uitwerking van deze toepassingen.

De kosten kunnen volgens Meijer per regio en locatie verschillen, bijvoorbeeld afhankelijk van de aanwezige infrastructuur en wat nodig is om deze te combineren met andere ingrepen. Roy Boertien vult aan dat voor ramingen kengetallen nodig zijn en dat het voor de hand ligt hierover afspraken te maken en deze bijvoorbeeld jaarlijks te indexeren. Uiteindelijk is een financieel beeld nodig om besluitvormers inzicht te geven in wat een investering kost en oplevert.

Moeten werkzaamheden altijd worden gecombineerd?

Nee. Tijdens de Q&A wordt juist besproken dat inzicht in de ondergrond ook kan laten zien dat koppelen niet altijd de beste oplossing is. Meijer noemt de stokkende warmtetransitie als voorbeeld: in zo'n situatie kan het efficiënter zijn om werkzaamheden afzonderlijk uit te voeren en juist te versnellen op locaties waar koppelen niet mogelijk of niet doelmatig is.

Datakwaliteit als basis voor verdere digitalisering

Terug naar inhoudsopgave

Bekijk de terugblik vanaf hier op YouTube

In de slotronde benadrukt Marco Scheffers dat digital twins mogelijkheden bieden voor rekenmodellen, visualisaties en gezamenlijk ontwerpen met ketenpartners, maar dat alles staat of valt met goede data. Zijn oproep is daarom om samen aan datakwaliteit te werken en BIM-principes breder toe te passen, zowel door marktpartijen als door overheden.

Daarbij gaat het niet alleen om gegevens over fysieke assets. Scheffers noemt ook omgevingsdata over bijvoorbeeld grondwater en regenval als noodzakelijke informatie om de fysieke leefomgeving goed te kunnen simuleren.

Binne Meijer sluit daarbij aan en verwijst terug naar de poll waarin volgens hem de helft van de aanwezigen aangaf dat de eigen data niet op orde was. Voor beheerders is het volgens hem belangrijk verantwoordelijkheid te nemen voor gegevens over de eigen assets, omdat deze data in de toekomst veel waarde kunnen krijgen. Zijn tweede oproep is om aansluiting te zoeken bij bestaande netwerken.

De samenwerking tussen de G4 laat daarnaast een organisatorische succesfactor zien. Op de vraag waarom de samenwerking tussen de gemeenten zo goed verloopt, vertelt Meijer dat de betrokken medewerkers regelmatig fysiek met elkaar afspreken, elkaars steden bezoeken en van de bijeenkomsten ook bewust een sociale activiteit maken. Volgens hem helpt dat bij de samenwerking en de onderlinge kennisuitwisseling.

De centrale lijn uit het webinar is daarmee dat technische ontwikkeling en samenwerking niet los van elkaar staan. Goede data, herbruikbare oplossingen, gedeelde standaarden en netwerken waarin organisaties kennis en toepassingen uitwisselen vormen samen de basis om digitalisering in de GWW verder te brengen.

Dit artikel is samengesteld met behulp van AI op basis van de terugblik Samenwerken aan digitalisering in de GWW: netwerken in kaart – 17 april 2026. Mochten er onjuistheden in staan, neem dan contact met ons op.